Makers van het landschap
Onze voorouders hebben het landschap ingrijpend veranderd, vaak om economische redenen. Dit heeft het landschap gemaakt tot wat wij vandaag kennen en nog kunnen zien.
Eerste bewoners
Rond het jaar 1000 bestaat het Reeuwijkse land uit een uitgestrekte moerasvlakte van riet en veenmos. Door die wildernis stromen een aantal veenstroompjes in de richting van de rivier.
Alleen langs de Oude Rijn en de Hollandsche IJssel wonen mensen. De Romeinen hebben daar hun sporen achter gelaten. Op de oude nederzettingen van de Romeinen ontstaan plaatsen als Alphen aan den Rijn, Zwammerdam en Woerden. In de veenwildernis, die zich uitstrekt tussen de twee rivieren is niets te zoeken; alleen vogels, riet en wild.
Ontginners
Vanaf ongeveer 1200 gaat het Reeuwijkse land ingrijpend veranderen. De ontginners gaan aan de slag met het in cultuur brengen van die veenwildernis. Een hele klus, die bewondering afdwingt. Met schop en spa graven zij sloten en greppels om het water af te kunnen voeren. De ontginners beginnen aan hun zware karwei langs een bestaande veenstroom als bijvoorbeeld de Gouwe. Daar bouwen zij hun huizen, kapellen en daar komen later ook de boerderijen te staan. Loodrecht op de veenstroom graven de pioniers sloten. Het water wordt afgevoerd naar de veenstroom en zo wordt kavel voor kavel drooggelegd. Het werk van de ontginners is nog prachtig zichtbaar in het karakteristieke slotenpatroom. Strak en recht en daardoor herkenbaar als mensenwerk.
Watermanagers en boeren
Door de verbeterde drooglegging kunnen boeren het land in gebruik nemen. Zij verbouwen granen en laten hun dieren grazen. Er ontstaat echter een probleem. Door de afwatering zakt het veen in elkaar. Na verloop van een aantal eeuwen is de hooggelegen veenvlakte ingeklonken en ligt lager dan de rivier. Om hun land te beschermen tegen instromend rivierwater moeten de boeren dijken en dammen opwerpen. Maar ook het overtollige water uit hun percelen moet weg. De eerste molenaars doen dat met simpele middelen: de polder is hiermee een feit. Omdat het land blijft zakken, wordt het uiteindelijk te nat voor akkerbouw. De hennepteelt houdt langer stand. Gras en koeien worden kenmerkend voor het Hollandse polderland. Veehouders zorgen nog steeds voor openheid in het Reeuwijkse land.
Verveners
In de Gouden Eeuw gaat het Holland economisch voor de wind. De steden groeien en de bedrijvigheid neemt toe. Dat vraagt veel bouw- en brandstoffen. De houtvoorraad van Holland (=houtland) raakt op, maar een energiecrisis maakt vindingrijk. De uitgebreide veengebieden van Holland gaan turf leveren, wat een prima brandstof is. Pas vanaf 1675 gaan turfmakers ook in het Reeuwijkse land op grote schaal aan de slag. In de 18de eeuw bereikt de vervening rond Sluipwijk haar hoogtepunt. Honderden baggermannen, veenmeiden en andere seizoensarbeiders doen hier hun zware werk. De turfschippers varen uiteindelijk vele miljoenen turven naar Gouda en andere Hollandse steden. Daar worden ze gebruikt als energiebron voor de bierbrouwerijen, blekerijen en pijpenfabrieken.
Door al dat zwoegen zijn uiteindelijk 13 Reeuwijkse Plassen ontstaan.
Naoorlogse bewoners
Na de Tweede Wereldoorlog komen er meer mensen in het Reeuwijkse land wonen en het aantal inwoners van Reeuwijk groeit. Nieuwbouw schept woongelegenheid voor nieuwe bewoners, die veelal werken in de drukke Randstad. Zij vinden binnen het Reeuwijkse land een rustige plek om te wonen en te recreëren.
< terug |